Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA7381

Datum uitspraak2000-08-31
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers1999010001/1.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 1999010001/1. Datum uitspraak: 31 augustus 2000 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] te [woonplaats], appellant, tegen de ongedateerde uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, verzonden op 31 mei 1999, in het geding tussen: appellant en burgemeester en wethouders van Sint Oedenrod e. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 november 1993 hebben burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] B.V. een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een impregneerinstallatie in een bestaand bedrijfsgebouw op het perceel [adres] te [woonplaats]. Bij uitspraak van 31 augustus 1998, no. H01.97.1440, heeft de Afdeling de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) van 17 september 1997, waarbij - voor zover hier van belang het besluit van burgemeester en wethouders van 13 september 1994, strekkende tot handhaving van de bouwvergunning, is vernietigd, bevestigd. Bij besluit van 24 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders het door appellant tegen de verleende bouwvergunning gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 28 mei 1999, verzonden op 31 mei 1999, heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 juli 1999, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 1999. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 4 november 1999 heeft burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2000, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Aan de orde is de aan [vergunninghouder] B.V., een houtverwerkend bedrijf, verleende bouwvergunning voor een ten tijde van de vergunningverlening reeds geplaatste impregneerinstallatie in een bestaand bedrijfsgebouw. 2.2. De Afdeling volgt het standpunt van de rechtbank dat de plaatsing van onderhavige impregneerinstallatie niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied". Terecht heeft de rechtbank daarbij aansluiting gezocht bij haar uitspraak van 17 september 1997 - bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 1998, no. H01.97.1440 -, waarin zij heeft vastgesteld dat de installatie past binnen de op het perceel rustende bestemming "Houtverwerkende bedrijven". Dat appellant het oneens is met de uitleg welke aan de voormelde bestemming in de voornoemde rechterlijke uitspraken werd gegeven, kan daaraan niet afdoen. 2.3. Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling van de bestreden beslissing op bezwaar terecht en op goede gronden in aanmerking genomen dat artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, ten 2e, van de Woningwet sedert 13 maart 1998 bepaalt dat de in de bouwverordening op te nemen voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond niet gelden voor bouwwerken die, ongeacht hun bestemming, de grond niet raken en waarbij het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd. Uit deze bepaling vloeit voort dat, nu de installatie zelf - gelijk de rechtbank heeft vastgesteld en zoals ter zitting tegenover de Afdeling onbestreden is bevestigd - de grond niet raakt maar is geplaatst op de betonnen vloer van het bestaande bedrijfsgebouw en voorts van gebruik in strijd met het bestemmingsplan geen sprake is, aan het verlenen van de bouwvergunning, anders dan ten tijde van het nemen de beslissing op bezwaar van 13 september 1994, ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit geen verbod tot bouwen op verontreinigde grond meer in de weg stond. Ter zitting is namens burgemeester en wethouders verklaard dat de eveneens in het bedrijfsgebouw aangebrachte pompput geen deel uit maakt van de impregneerinstallatie. Voor de aanleg van deze pomp is inmiddels apart een bouwvergunning verleend. 2.4. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot de slotsom gekomen dat er geen grond bestond voor weigering van de gevraagde bouwvergunning. De bezwaren die appellant heeft tegen het impregneren van hout uit oogpunt van milieuvervuiling kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Voor zover te dezen in verband met uit de Wet Milieubeheer voortvloeiende eisen de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 52 van de Woningwet heeft gegolden, heeft de rechtbank terecht verwezen naar haar uitspraak van 17 september 1997 waarbij - voor zover hier van belang - is vastgesteld dat de vereiste milieuvergunning van kracht is geworden. 2.5. Appellant heeft aangevoerd dat bij de aangevallen uitspraak niet de datum is vermeld waarop deze openbaar is gemaakt. Volgens informatie van de rechtbank verkregen, heeft dit plaatsgevonden op 28 mei 1999. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om aan het ontbreken van deze datum consequenties te verbinden. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Van Meurs-Heuvel Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2000 47. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,